In de rij bij de gaarkeuken. In Voorschoten waren er vijf. Foto Stichting Oorlogsverhalen
In de rij bij de gaarkeuken. In Voorschoten waren er vijf. Foto Stichting Oorlogsverhalen

Voorschoten tachtig jaar vrij van honger

We herdenken in 2025 ook de 20.000 Nederlandse oorlogsslachtoffers die omkwamen van de honger. Ook staan we stil bij de menselijke waarde: geen honger meer. Maar dan ook nooit meer oorlog, want oorlog en honger gaan vaak samen. De oorlog in Gaza is daar een schrijnend voorbeeld van.

Door Jan Spendel 

Honger was aan het eind en na de oorlog naast vrijheid het andere belangrijke onderwerp van gesprek. Het ging dan vaak over van alles wat ontbrak tijdens de oorlog en bezetting, over de schaarste aan voedsel, de etenswaren op de bon, de zwarte handel en vooral over de vreselijke hongerwinter van 1944/1945. Iedereen was bezig met de vraag hoe en waar kom ik aan extra voedsel? Waar is eten te vinden of te verkrijgen? Je moest het wel om te overleven. Het tekort was ontstaan omdat alles wat eetbaar was, door de Duitse bezetter werd gevorderd. Er heerste een groot gebrek aan normaal eten voor de bevolking.

Noodgedwongen werd er gekeken naar alles wat eetbaar leek. Men kwam uit op uit sierbloembollen (tulpen), suikerbieten (stroop en pulp), brandnetels, paardesla en ander onkruid of vergeten groenten. Voor de meeste mensen was het eten niet lekker. Maar met wat goede wil en creativiteit werd er toch nog iets eetbaars voorbereid. De dagelijkse maaltijd werd uit gebrek aan brandstof (hout en kolen) op kleine noodkachels gekookt. Geperst oud-papier of hele boeken werden als brandstof gebruikt. Op tafel kwam dan pulp, kroten en bloembollen. Pulp uit bieten was dan de vervanger van aardappelen.

Door het grote gebrek aan voedsel gingen huisvrouwen zich interesseren voor eenvoudige recepten voor ongewone maaltijden en soepen. Alles wat eetbaar was, werd voorbereid om de maag te vullen. Het werd de kunst om met het kleinste restje brood en de laatste druppels vet toch nog een verrassende maaltijd op tafel te toveren. Het kookwater van alle groenten kan gebruikt worden voor het bereiden van soepen.
In de winter van 1944-1945 heerste er in het nog bezette deel van ons land een enorme hongersnood. Er sterven naar schatting meer dan 20.000 mensen. Ook in Voorschoten zijn mensen door honger en afnemende weerstand gestorven.

Inwoners van Voorschoten die niet meer in staat waren om zelf voor warme maaltijden te zorgen, waren aangewezen op de gaarkeukens. In oktober 1944 gaan 5 gaarkeukens in ons dorp van start bij bedrijven en scholen. Dat was op de (1) Rouwkooplaan (bedrijf H.J. Van der Plaats); (2) Wijngaardenlaan (school met de Bijbel); (3) Voorstraat (wasserij Ancro); (4) Leidseweg (Instituut Wullings op Beresteijn) en (5) op de Rijndijk (slagerij Van der Poel). Elke keuken had zijn eigen gebied (straten en wegen).

In januari 1945 kwam het initiatief om soep aan schoolkinderen uit te reiken. Eenmaal per week werden ruim 1.500 borden gebonden soep met vlees uitgedeeld. De scholieren moesten daarvoor een kom en een soeplepel van huis meegenomen. Het werd een feest voor de kinderen. De oprechte dankbaarheid was groot. Voorschoten had ook kookkeukens. Mensen die zelf voedsel hadden maar geen brandstof om thuis te koken, konden bij bakkers gebruik maken van de daar ingerichte kookplaatsen. De bakkers ontvingen van de gemeente daarvoor hout.

Ook vanuit Voorschoten werden hongertochten ondernomen naar het oosten of noorden van het land. De tochten werden doorgaans te voet (met een handkar) of met de fiets afgelegd. Meestal gingen oudere mannen en jonge vrouwen. Zij liepen minder risico. Jonge mannen riskeerden arrestatie en deportatie naar Duitsland. Gevaar bleef op de loer liggen. Je kon beschoten worden, een ongeluk krijgen, uitgeput raken of bestolen worden.

Kinderen die er slecht aan toe waren kregen in de kinderkeuken van de Zilverfabriek extra voeding.Foto: Oorlogsbronnen