
Mathijs Deen schreef boek over tuinbazen Duivenvoorde
Rob heeft het in één ruk uitgelezen, het boek Gras dat auteur Mathijs Deen schreef over hun beider families, de Gussekloo’s. Het is wat verwarrend dat de naam Gussekloo is veranderd in Valks en dat de buitenplaats Broeckvoorde heet in plaats van Duivenvoorde, maar het is toch echt de geschiedenis van hun familie; drie generaties lang verbonden met het kasteel in Voorschoten. Dirk Gussekloo (1830-1909) is hun betovergrootvader, die net als zijn vader en zijn zoon Gerrit Gussekloo (1874-1971) tuinbaas was op Duivenvoorde.
Door Josée Nan
Rob Gussekloo (1956) opent de deur van Duivenvoorde in zijn functie van kasteelbeheerder, een vrijwilligersbaan die hij na zijn pensionering op zich heeft genomen. Deze zondag is Mucica Antica te gast die in de Marotzaal het podium biedt aan Fleustes d’Alleman, een fluitkwartet. Nadat de organisatie en de fluitisten van koffie zijn voorzien is er tijd voor de familiegeschiedenis.
De grootvader van Rob was tuinbaas op het landgoed Molecaten bij Hattum. In de jaren dertig van de vorige eeuw werd het personeel een te grote kostenpost op veel landgoederen. Grootvader Gussekloo werd ontslagen en werd tuinman in zijn geboortedorp Wassenaar, waar zijn vader Willem Pieter Gussekloo een kwekerij had.
Van tuinbaas naar tuinman, dat is geen marginaal verschil. Een tuinbaas was verantwoordelijk voor het ‘runnen’ van een landgoed. Hij zorgde samen met een ploeg tuinknechten voor het onderhoud van de siertuin, maar ook van de moestuin en van de boomgaard. Hij was de link met de adellijke eigenaar, die met de inrichting van zijn tuin en de aanwezige bomen- en plantencollectie wilde pronken. De tuin droeg bij aan zijn status en een ervaren tuinbaas was goud waard.
Zo was het in ieder geval toen jonkheer Hendricus Adolphus Steengracht (1836-1912) Duivenvoorde in bezit had. Dirk Gussekloo was de tuinbaas in wie hij zijn vertrouwen stelde. Als de jonkheer in de winter in het buitenland vertoefde, trad hij op als diens vertegenwoordiger. Hij betaalde het tuinpersoneel uit en correspondeerde met hem over de voortgang van opgedragen werkzaamheden.
Dirk Gussekloo was het grote voorbeeld van de opa (van moederskant) van Mathijs Deen (1962). Deze Piet Gussekloo kwam eind jaren veertig als tuinbaas in dienst op kasteel Broekhuizen in Leersum. Hij deelde met de jonge Mathijs de herinnering dat hij zijn grootvader Dirk samen met de jonkheer zag wandelen door het park van Duivenvoorde. Hij kon niet zien wie de jonkheer was en wie de tuinbaas en dat beviel hem.
Mathijs Deen maakte in 2022 een radiodocumentaire (voor het VPRO-programma OVT) over de tuinbazen en hun betekenis voor het tuinieren in Nederland. Dit bracht hem in contact met historicus Lenneke Berkhout die een boek aan het schrijven was over de cultuurgeschiedenis van het tuinieren en aan de tuinbazen van Duivenvoorde een apart hoofdstuk wijdde. Toen zijn oom vertelde over het gazon van Broekhuizen en de grasmaaier van opa Piet, viel het kwartje. Hij kreeg de ingeving die nodig was om het verhaal van de familie Gussekloo te vertellen.
‘Gras’ eindigt in 1954 met Piet Valks/Gussekloo, die van barones Sophia het tweehonderd meter diepe gazon voor haar kasteel niet mocht onderhouden. ‘Concentreer u op de moestuin en de bloemen en verkoop het gras als hooi’ verordonneert ze. Dat zint Piet niet. Een Gussekloo weet dat door een perfect gemaaid gazon het oog naar het kasteel wordt getrokken, het doet oprijzen en zo de grootsheid benadrukt. Hij trekt zijn eigen plan, krijgt een oude maaimachine aan de praat en zorgt ervoor dat het gazon er weer bij komt te liggen zoals ‘het hoort’.
Het boek begint in 1848. De dan achttienjarige Dirk ziet zijn vader vanuit het kasteel waar hij zojuist de gewichten van de grote klok heeft opgedraaid op het gazon van de Engelse tuin in elkaar zakken. Het is het vertrekpunt voor een verhaal over tuinbazen, die hun vakmanschap van vader op zoon overdragen, die eer stellen in hun werk voor de landheer en moeten aanzien dat die jonkheer of barones op een gegeven moment de middelen niet meer heeft om het landgoed te onderhouden. Een verhaal dat ruim een eeuw omvat, jaren waarin de wereld bepaald niet stil staat.
Genoeg stof voor een kloeke roman, of voor een cyclus. Mathijs Deen schreef eerder vier succesvolle boeken over de Duitse rechercheur Liewe Cupido. Het laatste deel in de reeks waddenthrillers verschijnt binnenkort. Als ik vraag of er voor de tuinbazen niet meer in had gezeten dan de 173 pagina’s die het boek nu beslaat, antwoordt Mathijs dat hij vooral een boek heeft willen schrijven over de geschiedenis van zijn familie. Hij heeft ‘Gras’ opgedragen aan zijn moeder en dat is niet voor niets. Uit overgeleverde familieverhalen heeft hij anekdotes gehaald en die verwerkt tot fictie, waarin historische verwijzingen herkenbaar zijn evenals verwijzingen naar het leven en werken op de landgoederen. Anekdotes als die van opa Piet die het hoog opgeschoten gras niet kan verdragen, maar ook de verhalen over het orthodoxe calvinisme van de oudere generatie Gussekloo’s. “Dat heeft geleid tot een roman waarin het gras symbool staat voor trots, dood en vergankelijkheid. Daar was het me om te doen, niet om een inkijkje in het zielenleven van mijn voorouders. En al helemaal niet die van de ‘families’.”
Het is de keuze van de schrijver waar ik het mee heb te doen. Neemt niet weg dat er in ‘Gras’ veel te genieten valt vanwege het vertelde verhaal en de stilistische vaardigheid van Mathijs Deen. Dat het boek zich voor een groot deel op Duivenvoorde afspeelt biedt Voorschotense lezers iets extra’s. De nazaten van al die tuinbazen Gussekloo houden er in oktober weer hun reünie. In de koestal naast het voormalige tuinmanshuis, de plek waar de bijzondere geschiedenis van deze familie begon.
