Tekening van J.E. Kikkert uit 1867 van de dorpskerk van Voorschoten. Uit collectie Erfgoed Leiden en omstreken
Tekening van J.E. Kikkert uit 1867 van de dorpskerk van Voorschoten. Uit collectie Erfgoed Leiden en omstreken

Rijke 'stinkerds' werden begraven in Dorpskerk

Sinds 800 na Christus mocht er van keizer Karel alleen begraven worden. Verbranden werd verboden. In Voorschoten werd eeuwenlang begraven rond en in de dorpskerk. De welgestelde burgers vonden een laatste rustplaats in de kerk, de armen op het kerkhof. In 1795 werd tijdens het Franse bewind (1795-1813) het begraven in kerken voor het eerst verboden. Keizer Napoleon herhaalde het verbod nog eens in 1811 met zijn decreet om het overal nageleefd te krijgen.

door Jan Spendel

Ook in Voorschoten werd de gewoonte om de doden bij zich te houden binnen de kerk niet meer toegestaan. Het gevoel bij de Hollanders was dat Napoleon hun een stukje eigen cultuur ontnam. Waarom verbood Napoleon het begraven in de kerk? Dat deed hij voor de volksgezondheid, voor de hygiëne, om besmetting van ziektes te voorkomen.

Na de Franse tijd werd het verbod van Napoleon door koning Willem I opgeheven. Er werd weer af en toe een overledene binnen de kerk begraven. Maar niet voor lang. Op 1 januari 1829 kwam er bij Koninklijk Besluit een verbod voor gemeentes met meer dan 1000 inwoners. Voorschoten viel daaronder en de kerk stopte met het begraven in de kerk en ging verder door de bestaande graven te verwijderen. Het Koninklijk Besluit werd dertig jaar later ingeruild voor een algemeen wettelijk verbod om in kerken te begraven. 

Koning Willem lll tekende op 10 april 1869 de nieuwe Wet op de Lijkbezorging. Een uitzondering werd nog gemaakt voor de Koninklijke familie.

Vóór het verbod lieten de meest rijke en aanzienlijke inwoners van Voorschoten zich onder de vloer van de dorpskerk begraven. In heel veel kerken gebeurde dat niet zorgvuldig en steeg er tussen de kieren van de grafstenen een doordringende lijklucht op. Als plagerige grap werden deze doden ‘rijke stinkerds' genoemd. 

Dat was dubbel grappig bedoeld omdat rijke mensen ook zo werden genoemd door de geur van parfum. De rijken konden zich zo'n duur luchtje permitteren en roken lekker, maar de arme en modale mensen maakten daarvan dat ze juist stonken. Of zit het anders en heten rijke stinkerds naar de grote hoeveelheid aan geld dat ze bezaten, geld stonk immers ook.

Na het ruimen van de graven in de kerk bleven enkele oude zerken uit de zeventiende en achttiende eeuw liggen. Op twee daarvan staan de volgende teksten:

HIER LYDT BEGRAVEN NICOLAES PIETERS VAN OVERVELT INSYN LEVEN BROUWER.IN DEN HEER GERUST DEN 21 OCTOBER 1688 OVDT SIJNDE 56 JAAREN 3 MAENDEN EN 12 DAGEN
HIER LEGT BEGRAVEN JOHAN PHILIP BRENDELL OVERLEEDEN TE ROTTERDAM DEN VII FEBRUARY MDCCXXXV IN DEN OUDERDOM VAN LIII JAREN ENDEDESSELFS HUISVROUWE, MARIA HIDDINK,MEDE OVERLEEDEN TE ROTTERDAM DEN IX APRIL MDCCXXXVIIIN DEN OUDERDOM VAN LXVIII JAREN

Het oudste familiegraf op het kerkhof is de 14e-eeuwse grafkelder van kasteel Duivenvoorde. Voor de verwoesting van de katholieke middeleeuwse kruiskerk in 1573/1574 had de adellijke familie Van Duivenvoorde een grafkapel met grafkelder aan het koor van de grote kruiskerk. Door de verwoesting en de bouw van een kleinere dorpskerk lag de grafkelder buiten de contouren van de kerk onder een gebouwtje en na de afbraak tot 1797 daarvan, alleen onder een grote steen op het kerkhof. Op deze manier ontliep het familiegraf van de kasteelfamilie het begraafverbod in de kerk. De laatste die er begraven is, is Jonkvrouw Ludolphine Henriëtte Schimmelpenninck van der Oye (1891-1965). Zij was Vrouwe van Voorschoten en Veur. Ze ligt in een witte kist.

De grafkelder van de familie Duivenvoorde bij de dorpskerk. Vroeger in de kerk, nu er buiten op het kerkhof