
Een Figarootje: 150-jarig jubileum!
Algemeen IngezondenWat hebben we een plezier gehad met z’n allen. Helaas is het einde van deze rubriek in zicht. Drie jaar lang nam ik jullie mee in anekdotes over het reilen en zeilen rondom de barbierwinkel. Vandaag, terwijl u dit leest, zijn die anekdotes deel van de geschiedenis. Een geschiedenis van 150 jaar scheren, knippen, grappen en grollen. Een geschiedenis van 150- jaar Teske in Voorschoten. Want dat ben ik, Jan Teske en dat is mijn familie, de Figaro’s: mijn vader, grootvader, overgrootvader en betovergrootvader.
En daar begon het. Bij mijn betovergrootvader. Begin 18e eeuw zette de familie Teske voor het eerst voet op Neerlandse bodem toen zij vanuit Mecklenburg via Hamburg naar Leiden zijn verhuisd. De geboortestad van mijn betovergrootvader met als decor de Jan Vossensteeg in 1837. Opgegroeid in Leiden werd hij kleermaker, zoals eigenlijk ook de rest van de familie was geworden. Daar bouwde hij zijn leven op. Hij kreeg een gezin en had zelfs een of twee pandjes in bezit.
Echter, de beste man was zo arm dat hij de pandjes van de hand moest doen. Hij vertrok naar Voorschoten, waar hij met toestemming van de burgemeester zich mocht vestigen in de Achterstraat, nu beter bekend als de Schoolstraat. Daar kreeg hij een huisje met een klein voorkamertje, opdat hij zijn vak uit kon oefenen, het kleermakersvak. Om extra centen te verdienen is hij zich daar, in maart 1976, 150 jaar geleden, gaan toeleggen op het scheren van baarden.
In 1884/1885 werd het steegje van Pigge gebouwd. Dat was een open stukje dat de Achterstraat verbond met de Voorstraat. Daarin werden door de kerk, door de armenzorg, huisjes gebouwd. In het voorste gedeelte aan de Voorstraatkant mocht mijn betovergrootvader zijn winkeltje vestigen. Lang kon hij er niet van genieten, want een jaar later overleed hij.
Mijn overgrootvader nam het over. Hij stond te boek als kleermaker-barbier en zette de zaak voort op de Voorstraat, waar nu Va Bene huist. In die zaak had hij een van zijn vele kinderen werken. Een van zijn andere kinderen werkte bij een tuindersfamilie: mijn opa. Allebei de kinderen hadden het niet zo naar hun zin, dus besloten zij te ruilen. Zo kwam mijn grootvader in de barbierwinkel terecht. Uiteindelijk nam hij het stokje over van zijn vader.
Dat werd een roerige tijd. Hij bouwde een gezin op, maar werd in 1914 gemobiliseerd voor de Eerste Wereldoorlog. Twee jaar moest hij dienen in het leger. Na de oorlog breidde het gezin zich uit en had mijn grootvader een groot gezin. Toen de volgende oorlog op de stoep stond koos mijn grootvader ervoor om niet uitgezonden te worden in de oorlogsindustrie, maar om hier te blijven om zijn gezin te onderhouden. De restrictie daaraan was dat hij Duitse militairen zou moeten knippen en scheren. Dit gaf hem ook privileges, waardoor hij in de hongerwinter toch nog zijn gezin aardig kon onderhouden.
Na de oorlog kreeg mijn vader kreeg verkering met mijn moeder en werkte in Amsterdam in een kapperszaak. Het was zijn oudste broer die aanvankelijk de zaak zou overnemen, maar de relatie met zijn vader was gebrekkig. En dus vroeg mijn grootvader aan mijn vader of hij niet in de winkel in Voorschoten wilde komen. Een moeilijke stap voor mijn moeder die zich succesvol had opgewerkt in de diamantindustrie. Maar ze kwamen, trouwden en de kapsalon werd een goedlopende zaak. Bekend, zelfs buiten Voorschoten.
Toen kwam ik. Jan. Ik bouwde de zaak uit. Maakte er een grote dames- en herenkapsalon van. Uiteindelijk verloor ik daar mijn plezier. Het werd me te groot. Te druk. Te weinig ruimte voor mezelf. En dus ging ik terug. Terug naar de kern. Naar het kleine. Naar het persoonlijke. En nu geniet ik iedere dag en een jaar geleden vond ik daar de liefde, mijn verloofde. Maar dat verhaal komt volgende maand, in de allerlaatste Figaro.








