Afbeelding

Zwembaden

Column Ingezonden

De afgelopen zomers was ik met mijn gezin in Duitsland en Engeland op vakantie. Altijd interessant om te zien hoe andere landen dezelfde dingen anders regelen. Zelfs bij zoiets vanzelfsprekends als een zwembad. 

Het heerlijke van zwemmen met je kinderen is dat telefoons en ander digitaal grut even niet bestaan. Je bent samen in het water. In Duitsland viel me op hoe vanzelfsprekend het zwembad onderdeel is van de publieke ruimte. Een Freibad met een groot grasveld, een 50 meterbad, een kinderbad, meerdere duikplanken en een glijbaan. Geen commercieel zwemparadijs, maar een voorziening vóór de gemeenschap. De Duitsers hebben daar een mooi woord voor: Daseinsvorsorge. Zwembaden worden gezien als onderdeel van de publieke infrastructuur: voor zwemles, gezondheid en ontmoeting.

In Engeland voelde ik een heel andere vibe. We zwommen in leisure centres, waar het zwembad onderdeel is van een bedrijfsmatig concept. Met korte tijdsloten, hoge prijzen en vooral: efficiëntie. Het voelde minder als een plek waar je zomaar even naartoe gaat. Dat past bij een systeem waarin zwembaden sterk afhankelijk zijn van de financiële mogelijkheden van lokale overheden. Sinds 2010 zijn in Engeland meer dan 500 zwembaden verdwenen. In de nabije toekomst dreigt nog een veelvoud daarvan te verdwijnen.

Dat sloot aan bij het bredere beeld dat ik tijdens onze Engelse vakanties kreeg. Wegen, OV, bibliotheken en sportfaciliteiten: veel publieke voorzieningen lijken kwetsbaarder en minder vanzelfsprekend. Brexit is daar niet alleen de oorzaak van. Toch is het moeilijk niet te denken aan de belofte van meer autonomie, terwijl Engeland moeite heeft om publieke voorzieningen voor zijn eigen inwoners op peil te houden.

En dan Voorschoten. Ook wij moeten de komende jaren beslissen over een nieuw zwembad en sportvoorzieningen. Dan kunnen we ook vragen: wat kost het? Maar misschien is de belangrijkste vraag: wat vinden we het waard?

Arnold Posthuma- Raadslid PRO