
Leidens Ontzet 1573/1574 de tocht van de Watergeuzen
AlgemeenMet het Beleg van Leiden kwam de Opstand in een beslissend stadium. Amsterdam en Haarlem waren in handen van de Spaanse bezetter en de slag om de Mookerheide was ook een Spaanse victorie. De Spaanse troepen onder leiding van Generaal Valdez hadden ook verliezen geleden: Den Briel en Alkmaar. En hoewel zijn troepen beter waren in gevechten op het land, hadden ziekte en uitputting, maar vooral desertie de gelederen behoorlijk uitgedund. Hij wilde niet nog meer manschappen verliezen en koos voor een andere taktiek: de stad omsingelen en uithongeren. Hij bouwde 3 ringen schansen ten zuiden van de stad, ook in Voorschoten en bij Ter Wadding. Hij beschikte over 3000 Spaanse soldaten en 22 vendels Duitse en 18 vendels Waalse huursoldaten.
door Jane Koopstra
Willem van Orange was altijd tegen de opstand was geweest, maar het verlies van de tweede stad van Holland - -Leiden - zou een enorm verlies (aan prestige) betekenen. En toen de Geuzen van plan waren vanuit Rotterdam Leiden te ontzetten nam hij het leiderschap op zich en benoemde Louis de Boisot tot bevelhebber van de vloot. Op 30 juni nam de Prins het besluit in Rijnland, Delfland en Schieland en aanpalende landen de sluizen open te zetten en de dijken door te graven met het doel Leiden met schepen te bereiken. Het besluit werd op 30 juli bekrachtigd door de Staten van Holland en de bevolking werd opgeroepen een veilig heenkomen te zoeken in de steden. Gelukkig lag Voorschoten op de strandwal.
Op 3 augustus werd de Maasdijk doorgestoken en werden de sluizen van Schieland opengezet. In de nacht van 10 op 11 september vertrok Boisot uit Rotterdam met 800 watergeuzen met 70 galeien alle uitgerust met 3 -5 kanonen en 7-8 Frans/Waalse harkebusschutters ondersteund door honderden bij de lokale bevolking ingevorderde platbodems met een diepgang van 1,5 – 2 voet voor transport voor manschappen en goederen.
En zo begon een onderneming die praktisch voor onmogelijk werd gehouden. Overal waren schansen van de vijand, Rijnland - van Delfland gescheiden door de Landscheiding - lag gemiddeld een meter hoger dan Delfland. Ook toen deze doorbroken werd, was het waterpeil te laag voor de schepen. Het doel was via het Zoetermeerse Meer en de Noordaa Leiden te bereiken, maar bij de Voorweg in Zoetermeer kwamen ze niet langs de Spanjaarden en moesten ze via een omweg via de Zegwaardse Verlaten. Probleem bleef het lage water. Maar als door een wonder ging het eind september regenen en stak er een zuidwesterstorm op die het waterpeil deed stijgen van 9 tot 28 duim. Zo konden ze Zoeterwoude bereiken, sleepten desnoods de schepen over ondiepten, versloegen daar de Spanjaarden en bereikten het Papemeer; de Lammenschans was binnen handbereik. Toen een deel van de stadsmuur bij de Koepoort instortte, kozen de Spanjaarden het hazenpad en verlieten de schans. Triomfantelijk voeren de Geuzen Leiden bij de Koepoort binnen. De Spaanse soldaten verlieten de veroverde schansen en zochten een goed heenkomen door de wedden in de Vliet naar hoger gelegen grond, o.a. over de Hofweg. Velen moeten zijn verdronken omdat het onderscheid tussen diepten en ondiepten in de ondergelopen polders niet te onderscheiden was.
Het ontzet bracht voorlopig een kentering in de opstand en betekende een enorme opsteker voor de bevolking. Er was weer hoop. Wel is het met enorme opoffering gepaard gegaan. Zeker de helft van de bevolking, 7000 zielen, was gestorven door honger, uitputting en ziekte. De omliggende landerijen, ook de Voorschotense polders, waren door de inundaties lange tijd niet bruikbaar, vee en gewassen waren verloren gegaan en in aanloop tot de bezetting waren huizen, boerderijen, kerken door de geuzen vernietigd. Het herstel heeft zeker 30 jaar geduurd.
Bron: In het Voetspoor van de Geus, A.P. van den Berge, Jqn Fruytiers, Henk den Heijer, Holland onder Water









