
Slecht lezen
Column IngezondenMijn aandacht werd de afgelopen week getrokken door de schrikbarende resultaten van het vierjaarlijkse PISA-onderzoek van de OESO naar onder meer leesvaardigheid. Nederlandse leerlingen zijn in minder dan 25 jaar tijd van de top naar de grijze middenmoot afgezakt: in meer dan 40 landen lezen kinderen beter dan bij ons. Wie verder in de cijfers duikt, ziet dat 39 procent van onze vijftienjarigen niet het noodzakelijke basisniveau haalt. Zorgwekkend. Deze cijfers raken uiteindelijk ons verdienvermogen als land en leggen de basis voor minder goed geïnformeerde burgers.
Als ik aan leesonderwijs denk, moet ik altijd aan mijn moeder denken. Zij stond veertig jaar voor de klas. Schrijven, taal en rekenen stonden bij haar centraal. Lezen was volgens haar een noodzakelijke voorwaarde om te leren leren. Daarom besteedde ze er iedere dag aandacht aan. Wie niet goed kan lezen, heeft immers moeite om ingewikkelde teksten te begrijpen en zin en onzin van elkaar te onderscheiden.
De voor de hand liggende afleiders zijn bekend: telefoons en sociale media. Wie wil leren, moet zijn kop erbij houden. Ook de coronatijd heeft niet geholpen en kinderen op achterstand gezet. Met de komst van AI dient zich alweer een nieuwe uitdaging aan.
Maar de neergang was al langer zichtbaar. OESO-onderzoeker Andreas Schleicher wijst op specifieke Nederlandse problemen. Volgens hem behandelen we in de klas te veel onderwerpen en is er daardoor te weinig ruimte voor verdieping. Zijn advies: minder onderwerpen, meer diepgang.
Ook ouders zijn onderdeel van de oplossing. Schleicher wijst op de dramatische daling van ouderparticipatie in Nederland. Voorlezen, belangstelling tonen en kinderen laten merken dat school belangrijk is, is steeds minder vanzelfsprekend geworden. Ik hoor mijn moeder het nu nog zeggen: een leraar is geen dienstverlener. Onderwijs doe je samen, met ouders. Kort gezegd: je moet ook zelf aan de bak. Als kind én als ouder.
Arnold Posthuma, Raadslid PRO







